regelmatige werkwoorden
learniv.com  >  nl  >  Vervoeging regelmatige werkwoorden

Vervoeging regelmatige werkwoorden

accepted
accepted
aanvaarden
added
added
toevoegen
admired
admired
bewonderen
admitted
admitted
toegeven
advised
advised
adviseren
afforded
afforded
veroorloven
agreed
agreed
mee eens
allowed
allowed
toestaan
amused
amused
amuseren
analyzed
analyzed
analyseren
announced
announced
aankondigen
annoyed
annoyed
ergeren
answered
answered
antwoord
appeared
appeared
verschijnen
applauded
applauded
applaud
appreciated
appreciated
waarderen
approved
approved
goedkeuren
argued
argued
ruzie maken
arranged
arranged
regelen
arrested
arrested
arresteren
arrived
arrived
aankomen
asked
asked
vragen
attached
attached
vastmaken
attacked
attacked
aanval
attempted
attempted
poging
attended
attended
bijwonen
attracted
attracted
aantrekken
avoided
avoided
Vermijd
backed
backed
terug
balanced
balanced
balans
banned
banned
ban
banged
banged
knal
bared
bared
kaal
batted
batted
knuppel
battled
battled
strijd
beamed
beamed
straal
begged
begged
bedelen
behaved
behaved
gedragen
belonged
belonged
behoren tot, toebehoren aan, thuishoren, horen bij, zich thuisvoelen, thuishoren bij, bij iemand zijn, van iemand zijn, zich aanvaard voelen, erbij horen
bleached
bleached
bleken, verbleken
blinded
blinded
verblinden
blinked
blinked
knipperen, pinken, knipogen, tintelogen
blotted
blotted
vloeien, ontsieren, bevlekken, afdeppen
blushed
blushed
kleuren, blozen, rood worden
boasted
boasted
zwetsen, pochen, opscheppen, bluffen, stoffen, snoeven, snorken, zich prijzen
boiled
boiled
koken, borrelen, afkoken, doen koken, zieden, op het kookpunt zijn
bolted
bolted
borgen, afgrendelen, grendelen
bombed
bombed
bombarderen
booked
booked
aanvragen, bespreken, bestellen, reserveren, boeken, inschrijven, vlammen, noteren, beboeten, te boek stellen
bored
bored
vervelen, ergeren, boor, boren, vermoeien, tegenstaan, aanboren
borrowed
borrowed
lenen, ontlenen
bounced
bounced
kaatsen, op-en-neerspringen
bowed
bowed
buigen, strijken, nijgen, een buiging maken
boxed
boxed
verpakken, inpakken, boksen
branched
branched
aftakken, zich vertakken
bruised
bruised
slaan, blutsen, kneuzen
brushed
brushed
aanbrengen, vegen, poetsen, borstelen, afborstelen, schuieren
bubbled
bubbled
borrelen
bumped
bumped
buil
buried
buried
begraven, kuilen, ingraven, inkuilen, ter aarde bestellen
buzzed
buzzed
razen, brommen, gonzen, zoemen, snorren, suizen, tuiten, suizelen
calculated
calculated
uitwerken, plannen, berekenen, rekenen, uitrekenen, tellen, calculeren
called
called
bezoeken, schreeuwen, heten, noemen, roepen, benoemen, uitmaken voor, opbellen, bestempelen
camped
camped
legeren, kamperen
cared
cared
zorgen, zorg dragen, bezorgd zijn, zich bekommeren
carried
carried
dragen, torsen, brengen, meebrengen, overnemen, voeren, overdragen, beschikbaar hebben, voorhebben, ter beschikking hebben, te horen zijn
carved
carved; carven
scheuren, snijden, beeldhouwen, uithakken, kerven, beitelen, uithouwen, in stukken snijden
caused
caused
doen, maken, aandoen, aanrichten, aanleiding geven tot, teweegbrengen, veroorzaken, laten, houden, beleggen, stichten, laten doen, uitschrijven, berokkenen
challenged
challenged
trotseren, bestrijden, uitdagen, betwisten, tegenspreken, aanvechten, tarten, uittarten
changed
changed
aanpassen, zich aanpassen, veranderen, verkeren, vermaken, vervangen, wisselen, verwisselen, kenteren, andere kleren aantrekken, omslaan
charged
charged
laden, berekenen, opladen, in rekening brengen, kosten aanrekenen
chased
chased
aandrijven, nastreven, najagen, drijven, opjagen, jagen, achtervolgen, vervolgen, achternazitten, voortdrijven, bejagen, achternajagen, narennen, jacht maken op
cheated
cheated
bedotten, misleiden, vreemdgaan, vals spelen, bedonderen, belazeren, verneuken, foppen, schurkachtig handelen, zich op oneerlijke wijze toeëigenen
checked
checked
bedwingen, beteugelen, intomen, betomen, in toom houden, controleren, checken, nakijken, toezien, aflezen, surveilleren, schaak staan, testen, breidelen, nazien, zich ervan verzekeren, aankruisen, schaak zetten
cheered
cheered
aanvuren, hoera roepen
chewed
chewed
kauwen
choked
choked
neerslaan, stikken, verstikken, onderdrukken, wurgen, smoren, verkroppen, verslikken
chopped
chopped
houwen, fijnhakken, hakken, kappen
claimed
claimed
claimen, aanspraak maken op, declareren
cleaned
cleaned
schoonmaken, vegen, reinigen, zuiveren, opschonen, louteren
cleared
cleared
duidelijk worden, oplichten, ophelderen, opklaren, helder worden, wissen
clipped
clipped
afschaven, knippen, scheren, snoeien
closed
closed
sluiten, toevallen, toegroeien, toegaan, dichtgaan, zich sluiten, dichtmaken, beëindigen, toedoen, dichtdoen
coached
coached
opleiden, opvoeden, trainen, coachen, onderwijzen
coiled
coiled
oprollen, kronkelen
collected
collected
vergaren, verzamelen, incasseren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, collecteren
commanded
commanded
aanvoeren, voorschrijven, bevelen, commanderen, het bevel voeren, gebieden, gelasten, bestrijken, sommeren, verordenen
communicated
communicated
berichten, meedelen, mededelen, besmetten, aansteken, infecteren, voortzeggen, communiceren
compared
compared
vergelijken
competed
competed
strijden, concurreren, wedijveren, meedingen
complained
complained
klagen, zijn beklag doen, een klacht indienen, reclameren
completed
completed
voltooien, aanvullen, completeren, bijwerken, supplementeren, voleinden
concentrated
concentrated
concentreren, toespitsen op
concerned
concerned
betreffen, verkeren, gelden, raken, aangaan, aanbelangen, zich verhouden, betrekking hebben op
confessed
confessed
toegeven, erkennen, bekennen, biechten
connected
connected
verbinden, aansluiten, vastmaken, samenbinden, op elkaar aansluiten, binden, vastbinden, bijeenbinden, aan elkaar vastmaken, doorverbinden
considered
considered
rekening houden met, houden voor, rekening houden, zien, beschouwen, overwegen, nagaan, zien als, aanmerken als, verslijten voor, rekening mee houden, in acht nemen, aanmerken
consisted
consisted
bestaan uit
contained
contained
bevatten, inhouden, behelzen
continued
continued
aanhouden, doorlopen, voortzetten, voortduren, vervolgen, duren, doorgaan, continueren, voortgaan, verdergaan, bestendigen, standhouden, beklijven, verder gaan met, draad oppakken, doorwerken, blijven doorgaan
copied
copied
ontvangen, kopiëren, afdrukken, nadoen, namaken, nabootsen, natekenen, naäpen, overschrijven
corrected
corrected
verbeteren, afstraffen, corrigeren, bijsturen
coughed
coughed
hoesten, kuchen
counted
counted
meetellen, in aanmerking komen, berekenen, rekenen, uitrekenen, tellen, calculeren, aftellen, neertellen
covered
covered
dekken, afleggen, behandelen, beleggen, bedekken, bekleden, aflopen, bestrijken, doorgaan, gaan door, coveren, overtrekken, toedekken, afplakken
cracked
cracked
knappen, kraken, knallen
crashed
crashed
botsen, crashen, neervallen, binnenvallen, ineenstorten, kapotslaan
crawled
crawled
kruipen
crossed
crossed
overgaan, kruisen, overlopen, oversteken, doorkruisen, over elkaar slaan, dwarszitten
crushed
crushed
intrappen, platwalsen, stampen, verbrijzelen, vermorzelen, verpletteren, fijnstampen
cried
cried
huilen, krijten, wenen, schreien, bleiten
cured
cured
behandelen, cureren, genezen, helen, beter maken
curled
curled
kappen, roeren, krullen, doorroeren, omroeren, friseren
curved
curved
krommen, buigen, afbuigen, plooien
cycled
cycled
fietsen, rijden, wielrijden
damaged
damaged
bederven, havenen, schenden, beschadigen, schaden, schade aanrichten, verwoesten, stukmaken, toetakelen, zwaar beschadigen
danced
danced
dansen
decayed
decayed
verrotten
deceived
deceived
bedriegen, misleiden, besodemieteren
decided
decided
besluiten, uitmaken, beslissen, zich voornemen
decorated
decorated
versieren, decoreren, sieren, tooien, uitdossen, opsieren
delayed
delayed
aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven
delighted
delighted
verrukken, in verrukking brengen
delivered
delivered
bestellen, toevoeren, leveren, afleveren, aanleveren
depended
depended
afhangen, afhankelijk zijn, deel uitmaken
described
described
beschrijven
deserted
deserted
verlaten, laten varen, in de steek laten, afvallen, ontrouw worden, achterlaten, deserteren, aan m'n lot overlaten
deserved
deserved
waard zijn, waardig zijn, verdienen, toekomen
destroyed
destroyed
vernietigen, vernielen, ruïneren, verwoesten, verderven, te gronde richten, ten val brengen
detected
detected
opsporen, achterhalen
developed
developed
maken, ontwikkelen, doen ontstaan, onstaan, evolueren, zich ontwikkelen, openbaren, formeren
disagreed
disagreed
oneens zijn
disappeared
disappeared
wegvallen, wijken, verdwijnen, verzwinden, m smeren, zwinden
disapproved
disapproved
verwerpen, afkeuren, wraken
disarmed
disarmed
ontwapenen
discovered
discovered
ontdekken
disliked
disliked
minachten, versmaden, een hekel hebben aan
divided
divided
afbreken, afzonderen, verdelen, schiften, opsplitsen, onderverdelen, scheiden, delen, splitsen, opdelen, afscheiden
doubled
doubled
verdubbelen, nasynchroniseren
doubted
doubted
twijfelen, dubben, in dubio staan
drained
drained
aftappen, draineren, afdruipen, droogleggen, leegzuigen, afwateren, neerdruipen
dripped
dripped
druppelen, druipen, droppelen
dropped
dropped
afnemen, verminderen, slinken, tanen, verflauwen, afvallen, wippen, verwijderen, vallen, kappen, neervallen, dalen, weglaten, storten, verschieten, seponeren, laten vallen, vellen, uitstoten, achterwege laten, neervellen, gaan liggen, afstappen
drowned
drowned
verloren gaan, vergaan, verdrinken, verzuipen, doen verdwijnen, onderdompelen
drummed
drummed
drummen, trommelen
dried
dried
afdrogen, uitdrogen, drogen, dor, opdrogen, droog worden, droogvallen, verdrogen, droogmaken
dusted
dusted
stoffen, afstoffen, stof afnemen
educated
educated
dresseren, kweken, opleiden, opvoeden, grootbrengen
embarrassed
embarrassed
ongelegen komen, ontrieven, in verlegenheid brengen
employed
employed
aannemen, gebruiken, aanwenden, huren, bezighouden, benutten, aanwerven, tewerkstellen, in dienst nemen
emptied
emptied
ruimen, leegzuigen, uithalen, legen, lichten, leegmaken, ledigen
encouraged
encouraged
aanwakkeren, verlevendigen, opwekken, aanmoedigen, aanvuren, opkikkeren, bemoedigen, aansporen, animeren, zwepen, stijven, opmonteren, in de hand werken, moed geven
ended
ended
besluiten, uitmaken, afsluiten, uitraken, ophouden, beëindigen, eindigen, uitgaan, verlopen, aflopen, uitlopen, afmaken, voleindigen, uitdraaien
enjoyed
enjoyed
zich verheugen, genieten van, blij zijn, zich verblijden, genieten, zich verheugen in, zich verlustigen in, smullen
entered
entered
ingaan, boeken, inschrijven, binnenkomen, inkomen, registreren, steken, binnengaan, binnenlopen, insteken, bijboeken, indoen, intreden, intoetsen, terechtkunnen
entertained
entertained
afleiden, verstrooien, trakteren, vrijhouden, vergasten, onthalen, recipiëren, gastvrijheid verlenen aan
escaped
escaped
ontkomen aan, ontsnappen, ontkomen, uitbreken, ontgaan, ontsnapping
examined
examined
nagaan, controleren, nakijken, onderzoeken, uitzoeken, exploreren, examineren, uitvissen, nauwkeurig onderzoeken, vorsen
excited
excited
irriteren, prikkelen, ophitsen, opwinden, sarren, aanstoken, op stang jagen, verhitten, werken op, aanwakkeren
excused
excused
vergeven, verontschuldigen, verschonen, excuseren, goedpraten
exercised
exercised
oefening, oefenen, sporten, drillen
existed
existed
zijn, leven, bestaan, existeren
expanded
expanded
toenemen, uitbreiden, uitzetten, strekken, zich uitbreiden, openzetten, factoriseren, ontbinden in factoren, uitbuiken
expected
expected
wachten, afhalen, verwachten, verbeiden, te wachten staan, ervan uitgaan, uitgaan van
explained
explained
verklaren, uitleggen, toelichten, duidelijk maken, beduiden, uiteenzetten, verhelderen, toelichting geven, voorhouden, te verstaan geven
exploded
exploded
losbarsten, springen, ontploffen, uitbarsten, exploderen
extended
extended
uitbreiden, verruimen, ophouden, uitstrekken, rekken, strekken, verlengen, uitsteken, prolongeren, uitrekken
faced
faced
tegemoet gaan, mee afrekenen, onder ogen zien, het hoofd bieden, zich richten op, zich richten naar, de confrontatie aangaan met, naar ... gericht staan
faded
faded
tanen, verbleken, vervagen, verschieten, kwijnen, verdorren, verwelken, bleek worden, verleppen, verflensen
failed
failed
zakken, stranden, mislukken, falen, misgaan, floppen, sjezen, schipbreuk leiden, in het water vallen, nalaten, laten, uitsterven, afsterven, wegsterven, niet doen, tekortschieten, afweten
fancied
fancied
bedenken, dromen, mijmeren, zich voorstellen, wanen, zin hebben, zich verbeelden, in de waan verkeren
fastened
fastened
bevestigen, vaststellen, aanslaan, bepalen, fixeren, vastmaken, tuigeren, aanbinden, vastbinden, vastzetten, afgrendelen, grendelen, verstevigen, vastleggen, meren, aandraaien, onderbinden, afhechten
feared
feared
vrezen, duchten, schromen, terugschrikken voor, bang zijn voor
fenced
fenced
schermen
fetched
fetched
aanbrengen, brengen, bezorgen, aandragen, halen, gaan halen
filed
filed
opslaan, vijlen, archiveren
filled
filled
stoppen, beslaan, in beslag nemen, dempen, vullen, invullen, spekken, volmaken, volschenken
filmed
filmed
filmen
fired
fired
afgaan, aanwakkeren, ontzetten, verlevendigen, aanzetten, vuren, afvuren, aanvuren, bakken, afschieten, ontladen, afdanken, royeren, losbranden, afmonsteren, schieten, ontslaan, paffen
fixed
fixed
maken, bevestigen, aanpassen, bewerken, aanbrengen, monteren, afstemmen, adapteren, verstellen, vaststellen, bepalen, fixeren, vastmaken, tuigeren, vastzetten, herstellen, verstevigen, verhelpen, determineren, nauwkeurig bepalen, repareren
flapped
flapped
flappen, klapperen, lubberen
flashed
flashed
flikkeren, flitsen, gloren
floated
floated
vlotten, drijven, vloeien, dobberen, voorstellen, zweven, zwemmen, meedrijven, te water laten
flooded
flooded
overstelpen, verpletteren, overstromen, bedelven, inunderen, onder water zetten, onderlopen, overspoelen
flowed
flowed
lopen, vloeien, stromen, vlieten
flowered
flowered
bloeien, openbloeien
folded
folded
ombuigen, vouwen, plooien, opvouwen, doubleren, omvouwen, afvouwen
followed
followed
nagaan, nakomen, opvolgen, handelen volgens, later komen, volgen, bewandelen, bijhouden, voortvloeien, een conversatie volgen
fooled
fooled
bedotten, beetnemen, bedonderen, belazeren, foppen, beduvelen, om de tuin leiden
forced
forced
dwingen, overweldigen, afdwingen, verkrachten, verplichten, forceren, opdringen, dwingen tot, noodzaken, doordrukken, geweld aandoen, zich opdringen
formed
formed
vormen, aangaan, formeren
founded
founded
baseren, stichten, vestigen, grondvesten, funderen
framed
framed
vatten, inlijsten, in een lijst zetten
frightened
frightened
bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen, doen schrikken, schrik aanjagen
fried
fried
bakken, fruiten
gathered
gathered
afleiden, besluiten, concluderen, abstraheren, deduceren, een gevolgtrekking maken, vergaren, verzamelen, samenkomen, vergaderen, bijeenkomen, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, collecteren
gazed
gazed
blik
glowed
glowed
gloeien, blaken, in gloed staan
glued
glued
plakken, lijmen, hechten
grabbed
grabbed
aangrijpen, grijpen, bemachtigen, vastgrijpen, grissen

regelmatige werkwoorden


Begin met de studie van onregelmatige werkwoorden:
Willekeurige selectie

regelmatige werkwoorden & Engels onregelmatige werkwoorden